Lokalen
Praktijklokaal - Binnenklimaat
Goedgekeurde norm
Wordt gehanteerd door
de Arbeidsinspectie.
- Inleiding
Lassen, slijpen, verven, schuren etc. zijn werkzaamheden in het praktijklokaal die invloed hebben op de kwaliteit van binnenklimaat. Gevolgen van slechte lucht kunnen zijn: hoofdpijn, vermoeidheid, oog-, keel- en neusirritaties, huidirritaties, suffigheid, slaperigheid etc. Sommige stoffen kunnen bij langdurige blootstelling zelfs kankerverwekkend zijn (Zie ook norm Hanteren van kankerverwekkende stoffen).
- Norm
Een goede beheersing van de luchtkwaliteit en temperatuur is van belang.
- Minimumeisen
- De temperatuur is bij verwarming door radiatoren per ruimte regelbaar.
- Het lokaal is te ventileren door mechanische ventilatie waarvan de capaciteit afhankelijk is van de grootte van het lokaal, de hoeveelheid leerlingen en docenten en de aanwezige werkprocessen
- Regelbare zonwering is aan de buitenzijde aangebracht. Deze zonwering heeft centrale automatische bediening, die plaatselijk handmatig ‘overruled’ kan worden
- Er wordt geen hinder ondervonden van tocht, daarom moet de luchtsnelheid lager zijn 0,2 m/s
- Bron
Arbobesluit artikel 6.1 en 6.2
- In de RI&E
zie Arboscan-VO, vraag 9.3, 9.4
- Wensen
Een goede temperatuur ligt in de zomer tussen 20 en 25,5°C en in de winter tussen 17 en 21°C
- Tips
- Klachten als bedompte lucht, geurhinder, hoofdpijn, onvoldoende afvoer van kook- en bakdampen kunnen wijzen op gebrekkige ventilatie
- Een beoordeling van de ventilatie (door een deskundige) gaat vooraf door een klachteninventarisatie (hoeveel mensen, welke klachten, welke ruimte en wanneer). Indicatieve metingen naar luchtsnelheden en luchtbewegingen (met rook) kunnen een indruk geven van de werking van de ventilatie
- Bij klachten over tocht is een juiste plaatsing van werkplekken ten opzichte van ramen en roosters een mogelijke oplossing
-
Bijbehorende schoolvoorbeeld(en)
-
-
Laatst gewijzigd
-
28-08-2008
Uw opmerkingen en/of suggesties zijn naar de redactie verstuurd.
Ok