Norm: Coronavirus (versie 25 nov. 2020): Beschrijving norm, Wetgeving, Tips & Links, Vragen & Antwoorden

Deze norm en bijbehorende checklist geven de standpunten weer op basis van de wetenschappelijke kennis van het coronavirus en de daardoor veroorzaakte COVID-19 infectie die beschikbaar is op het moment van publicatie. Deze kennis is echter nog volop in ontwikkeling waardoor inzichten kunnen wijzigen. Bij wijzigingen wordt de versiedatum van de norm en de checklist aangepast. Deze wijzigingen worden bijgehouden in een logboek. U wordt via de website van Voion en de maandelijkse nieuwsbrieven van Voion geïnformeerd over wijzigingen in de Arbocatalogus-VO.

Inhoud van deze pagina

Versie: 25 november 2020 (logboek)

1.1. Beschrijving norm

Momenteel is er sprake van een pandemie. Deze pandemie wordt veroorzaakt door een coronavirus, het virus SARS-CoV-2. Blootstelling aan dit coronavirus kan leiden tot de ziekte COVID-19. COVID-19 is een infectieziekte die overdraagbaar is van mens op mens.

De belangrijkste symptomen van COVID-19 zijn:

  • Verkoudheidsklachten (zoals neusverkoudheid, loopneus, niezen, keelpijn).
  • Hoesten.
  • Benauwdheid.
  • Verhoging of koorts.
  • Plotseling verlies van reuk en/of smaak (zonder neusverstopping).

Met name bij personen met een verminderde afweer, zoals ouderen en chronisch zieken, kan de ziekte uitlopen op een ernstige longontsteking met soms dodelijke afloop.

Het nieuwe coronavirus wordt overgedragen door hoesten en niezen. Via kleine druppeltjes komt het virus zo in de lucht. Als andere mensen die druppeltjes inademen, of bijvoorbeeld via de handen in de mond, neus of ogen krijgen, kunnen zij besmet raken met het virus. Hoe zieker iemand is, hoe meer hij hoest en/of niest en hoe meer virus hij kan verspreiden. Er zijn aanwijzingen dat iemand zonder symptomen besmettelijk kan zijn. Maar het is onduidelijk in hoeverre zij bijdragen aan de totale verspreiding van het nieuwe coronavirus. Onderzoek moet dit verder uitwijzen.
Ook via aanraking van besmette voorwerpen kan de huid van de handen worden besmet. Dit heeft in directe zin weinig belang. Maar de overdracht kan wel plaatsvinden als vervolgens met besmette handen aan het gezicht wordt gekomen (neus, mond of wrijven in de ogen).

1.2. Norm

De school weet welke maatregelen te nemen om blootstelling aan het coronavirus en COVID-19 bij medewerkers, leerlingen en hun naasten te voorkomen.

1.3. Minimum eisen

  • Er wordt voldaan aan de geldende coronarichtlijnen, adviezen en maatregelen van het RIVM, de Rijksoverheid en de algemene bepalingen uit de Arbowet en het Arbobesluit.
  • Er is met behulp van de checklist in de bijlage een verdiepende risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) coronavirus uitgevoerd. Met behulp van deze checklist kan de school beoordelen of alle te nemen maatregelen zijn uitgevoerd.
    De checklist bevat een praktische uitwerking van de geldende coronarichtlijnen, adviezen en maatregelen van het RIVM en de Rijksoverheid. Deze zijn volgens de Biologisch Arbeidshygiënische strategie (BAH) beschreven.
    In de checklist zijn ook nog aspecten beschreven die niet vermeld zijn in de geldende coronarichtlijnen, adviezen en maatregelen van het RIVM en de Rijksoverheid, maar wel verplicht zijn in kader van de algemene zorgplicht (artikel 3 van de Arbowet) en het actualiseren van de RI&E (artikel 5 van de Arbowet). Het voldoen aan deze verplichtingen en het realiseren van de bijbehorende maatregelen uit het Arbobesluit vindt eveneens plaats volgens de biologisch arbeidshygiënische strategie (BAH) (zie https://www.arboportaal.nl/onderwerpen/maatregelen):
    1. Bestrijding aan de bron
    2. Technische maatregelen
    3. Organisatorische maatregelen
    4. Hygiënische maatregelen
    5. Persoonlijke beschermingsmiddelen
    6. Preventief vaccineren
    7. Prik/spat/spuug/snij-incidentenprocedure
    8. Therapie bij ziekte.
  • De aandachtspunten en te nemen maatregelen zijn beschreven in een plan van aanpak. In de checklist is een voorzet voor een plan van aanpak toegevoegd.

1.3.1. Bestrijding aan de bron

Er vindt op school zo veel mogelijk bestrijding aan de bron plaats door:

A. Het voorkomen van de aanwezigheid van personen met klachten

  • Medewerkers en leerlingen komen niet naar school bij een of meer van de volgende (luchtweg) klachten: verkoudheidsklachten (zoals neusverkoudheid, loopneus, niezen, keelpijn), hoesten, benauwdheid, verhoging of koorts, plotseling verlies van reuk of smaak (zonder neusverstopping).
  • Medewerkers met klachten worden getest volgens het landelijke beleid. Leerlingen met klachten wordt eveneens verzocht, in overleg met de ouders/verzorgers, een afspraak te maken voor het afnemen van een test. Medewerkers en leerlingen blijven thuis tot de uitslag bekend is.
  • Medewerkers en leerlingen mogen weer naar school als zij 24 uur klachtenvrij zijn of de coronatest een negatieve uitslag heeft.
  • Er zijn buiten de school en in de school posters geplaatst om medewerkers en leerlingen te wijzen op deze en andere regels.
  • Medewerkers en leerlingen komen niet naar school als iemand in het huishouden naast milde verkoudheidsklachten ook koorts en/of benauwdheidsklachten heeft.
  • Medewerkers en leerlingen komen pas weer naar school als iedereen binnen het huishouden 24 uur geen klachten heeft.
  • Medewerkers en leerlingen die op school klachten ontwikkelen (verhoging, koorts, neusverkoudheid, hoesten, benauwdheid of plotseling verlies van reuk of smaak (zonder neusverstopping)), gaan naar huis en worden geadviseerd zich te laten testen. De ouders/verzorgers van de leerling worden hierover geïnformeerd. Ook eventuele broers en zussen van leerlingen worden hierover geïnformeerd en worden geadviseerd om zich te laten testen indien zij klachten vertonen. Broers en zussen worden alleen naar huis gestuurd als de leerling last heeft van koorts en/of benauwdheid.
  • Bij een ongewoon aantal leerlingen met klachten neemt de school contact op met de GGD.
  • Medewerkers met COVID-19-achtige klachten nemen contact op met de arbodienst en/of bedrijfsarts.
  • Ook bij twijfel of voor advies wordt door de leiding contact opgenomen met de GGD, arbodienst en/of bedrijfsarts.

B. Het voorkomen van de aanwezigheid van personen met een bewezen COVID-19 infectie

  • Medewerkers en leerlingen komen niet naar school bij een met een test bewezen COVID-19 infectie.
  • Medewerkers en leerlingen blijven bij een bewezen COVID-19 infectie minimaal 7 dagen thuis na de start van de symptomen en zieken uit. Medewerkers en leerlingen mogen pas naar school als ze na deze dagen 24 uur geen klachten meer hebben.
  • Medewerkers en leerlingen met een bewezen COVID-19 infectie, maar (nog) zonder klachten, blijven 72 uur (3 dagen) in thuisisolatie. Zijn tot 72 uur (3 dagen) na de testafname géén klachten opgetreden die passen bij COVID-19, dan mogen betreffende medewerkers/leerlingen uit isolatie. Als de werknemer/leerling binnen de 72 uur (3 dagen)na testafname wél klachten krijgt, dan blijft deze langer thuis conform de vorige bullet.
  • Medewerkers en leerlingen komen niet naar school bij een met een test bewezen COVID-19 infectie bij een huisgenoot. Medewerkers en leerlingen moeten thuisblijven tot 10 dagen na het laatste contact met de patiënt/huisgenoot met COVID-19. Als de werknemer geen 1,5 meter afstand houdt, moet hij dus thuisblijven tot 10 dagen nadat de bevestigde patiënt/huisgenoot weer uit isolatie mag. 
  • Als blijkt dat medewerkers en leerlingen die op school zijn geweest COVID-19 hebben gekregen, wordt voor advies contact opgenomen met de GGD. De GGD neemt het protocol vervolgens over.
  • Medewerkers met een bewezen COVID-19 infectie nemen contact op met de arbodienst en/of bedrijfsarts.

C. Beperken van fysieke contacten en beperken van verspreiding van het virus

  • Iedereen werkt na lestijd zoveel mogelijk thuis.
  • Behalve het onderwijs aan de leerlingen, worden fysieke activiteiten zoals vergaderingen, studiedagen, oudergesprekken, open dagen en vieringen, niet georganiseerd. Als ze toch noodzakelijk zijn, dan vinden ze digitaal plaats.

1.3.2. Technische/organisatorische maatregelen in het algemeen

A. Risicogroepen

Het RIVM heeft aandachtspunten opgesteld rondom de inzet van medewerkers uit de risicogroepen. Deze aandachtspunten zijn uitgewerkt in de checklist verdiepende RI&E. Voor de risicogroepen geldt:

  • Werknemers die tot een risicogroep behoren kunnen hun eigen werk blijven doen zo lang er consequent en volgens de geldende richtlijnen/procedures wordt gewerkt (eventueel in combinatie met aanvullende maatregelen) en oncontroleerbare situaties worden vermeden. Werknemers uit de risicogroepen hebben de keuze van dit uitgangspunt af te wijken na overleg met de werkgever (al dan niet met betrokkenheid van de bedrijfs-/arbo-arts).
  • Leerlingen die tot een risicogroep behoren kunnen worden vrijgesteld van fysiek onderwijs. Dit is een keuze van de ouders/verzorgers na overleg met de school en eventuele betrokkenheid van de behandelend arts of jeugdarts.
  • Werknemers/leerlingen met gezinsleden/huisgenoten uit een risicogroep komen werken of gaan naar school. Werknemers/leerlingen met gezinsleden/huisgenoten uit een risicogroep hebben de keuze van dit uitgangspunt af te wijken na overleg met de werkgever/school (al dan niet met betrokkenheid van de bedrijfs-/arbo-arts).
  • Zwangere werkneemsters worden vanaf het derde trimester van de zwangerschap vrijgesteld van hun (reguliere) werk als het niet lukt om 1,5 meter afstand van anderen te houden. Zij moeten vanaf het derde trimester (vervangend) werk doen waarbij de afstand van 1,5 meter wel gehandhaafd kan worden.
  • Werknemers die zich zorgen maken komen werken en gaan in gesprek met de werkgever over eventuele aanvullende afspraken (al dan niet met betrokkenheid van de bedrijfs-/arbo-arts).

B. Organisatie coronacrisis

  • Er is binnen de school een corona-aanspreekpunt (bij voorkeur inhoudelijke deskundige) of coronateam benoemd.
  • Er is door het aanspreekpunt of team een draaiboek samengesteld.
  • Genomen maatregelen worden geëvalueerd. Deze worden zonodig bijgesteld.
  • Er vindt toezicht plaats op het naleven van de maatregelen.
  • De catering kan open. De school gaat met de cateraar in gesprek over de wijze waarop deze open kan, met inachtneming van de veiligheids- en hygiënemaatregelen.
  • Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de noodzakelijke voorzieningen/aanpassingen (i.v.m. 1,5 meter afstand) als de medewerkers ook gebruik maken van het productenaanbod van de cateraar.
  • Ambulante jeugdhulp kan worden opgestart, met inachtneming van de 1,5 meter afstand tussen de hulpverlener en de leerling of via de digitale mogelijkheden.
  • Stages van leerlingen gaan alleen door als het stagebedrijf en de leerling de richtlijnen van het RIVM en de eigen sector naleven.
  • Er is met de BHV-organisatie besproken wat tijdens de coronacrisis de aandachtspunten zijn met betrekking tot de bedrijfshulpverlening (zie checklist verdiepende RI&E).

C. Informatievoorziening en voorlichting en instructie

  • Medewerkers, leerlingen en ouders/verzorgers van leerlingen zijn geïnformeerd over de relevante regels en afspraken.

D. Beperking aantal blootgestelden en beperken blootstellingstijd

  • Starttijden en de eindtijden van de schooldag zijn, als veel medewerkers en leerlingen gebruik maken van het OV, gespreid om het OV te ontlasten.
  • Pauzes zijn gespreid om piekdrukte op de gangen, in de aula en in de pauzeruimte van de medewerkers te voorkomen.

E. Wassen en desinfectie van handen

  • Medewerkers en leerlingen zijn geïnstrueerd over het wassen van de handen en het gebruik van desinfecterende handgel.
  • Bij het begin van de schooldag, voor en na de pauze en na een toiletbezoek wassen alle leerlingen en leraren hun handen met water en zeep en drogen de handen met papieren handdoekjes, handdoekrol of blazers. Als het wassen met water en zeep niet mogelijk is, desinfecteren ze hun handen met desinfecterende handgel. Het desinfectiemiddel bevindt zich bij voorkeur in een dispenser met sensor of in een dispenser met elleboogbediening (zodat er geen contact is van al die handen met het pompje van de dispenser).
  • Ook in andere ruimten waar het regelmatig wassen van de handen met water en zeep niet mogelijk is, wordt gebruik gemaakt van desinfecterende handgel.
  • De gebruikte desinfecterende handgels bevatten geen ethanol (= ethylalcohol).
    Ethanol staat in Nederland op de lijst kankerverwekkende stoffen en de lijst voor de voortplanting gevaarlijke stoffen. Meer informatie over deze stoffen kunt u vinden in de Arbocatalogus-VO ‘Hanteren van kankerverwekkende stoffen’.
    Een geschikte vervanger voor desinfecterende handgels met ethanol zijn handgels op basis van (minimaal) 70 % isopropanol (=isopropylalcohol IPA).
  • Hygiënematerialen (papieren zakdoekjes, papieren handdoekjes, zeep, handgels) zijn voldoende aanwezig.

F. Schoonmaken van oppervlakten en materialen

  • Desinfectie van oppervlakten en materialen is niet nodig. Het schoonmaken met water en schoonmaakmiddel of niet-desinfecterende schoonmaakdoekjes is voldoende.
  • Er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de schoonmaakmedewerkers over het schoonhouden van veelgebruikte contactpunten in gezamenlijk gebruikte ruimten (toiletten, deurklinken, raamklinken, deur/glas rondom klink, lichtknoppen, liftknoppen, trapleuningen, knoppen koffieautomaten, waterkoker, knoppen van printers en kopieerapparatuur, knoppen van drank- en snoepautomaten) en de schoonmaakfrequentie. Het RIVM adviseert deze contactpunten meerdere keren per dag schoon te maken.
  • Er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de catering over het schoonhouden van veelgebruikte contactpunten (counters, pinautomaten, paslezers) en de schoonmaakfrequentie. Het RIVM adviseert deze contactpunten meerdere keren per dag schoon te maken. In lokalen, werkruimten en overige ruimten is water met een geschikt schoonmaakmiddel/schoonmaakspray/schoonmaakdoekjes (geen desinfectiemiddel) aanwezig voor het reinigen van de oppervlakten en materialen die worden gebruikt. Medewerkers nemen na binnenkomst hun eigen bureaus/werktafels af met deze producten en herhalen dit bij het verlaten van het lokaal/de werkruimte. Materialen die door meerdere medewerkers worden gebruikt, worden voor en na gebruik schoon gemaakt. Dit geldt ook voor andere werkplekken, gebruikte materialen en gereedschappen in praktijklokalen.

G. Installaties in het gebouw: ventilatie, drinkwater en rioolwatervoorzieningen

  • De klimaatsystemen (verwarming, ventilatie en airconditioning) worden onderhouden volgens de instructies van de installateur. De filters in de systemen worden gereinigd en vervangen, eveneens volgens de instructies van de installateur. Extra onderhoud van de systemen is niet noodzakelijk.
  • Bij het wisselen van filters is het ventilatiesysteem uitgeschakeld, worden handschoenen gedragen en wordt adembescherming gedragen (FFP2 of FFP3-stofmaskers). De filters worden afgevoerd in een afgesloten zak.
  • De school is voor de schoolgebouwen nagegaan of ze voldoen aan de minimumeisen voor de kwaliteit van de binnenlucht zoals gespecificeerd in het Programma van Eisen Frisse Scholen van september 2015. Het Programma van Eisen Frisse Scholen onderscheidt eisen in drie klassen: A zeer goed, B goed en C acceptabel.
    Leslokalen die zijn gebouwd of gerenoveerd nadat het Bouwbesluit 2012 van kracht werd, voldoen minimaal aan klasse B in het Programma van Eisen Frisse Scholen (950 CO2 ppm) zoals opgenomen in de Arbocatalogus-VO (lokalen/theorielokaal-binnenklimaat). Deze norm is haalbaar met de in het Bouwbesluit 2012 voorgeschreven ventilatiecapaciteit van 30,6 m3/uur luchtverversing per persoon.
    Voor leslokalen in bestaande bouw (waarvoor de (ver)bouwvergunning is ingediend op of na 1-1-2010) geldt dat de binnenlucht kwaliteit minimaal moet voldoen aan klasse C van het Programma van Eisen Frisse Scholen (1.200 CO2 ppm) zoals opgenomen in de Arbocatalogus-VO (lokalen/theorielokaal-binnenklimaat). Deze luchtkwaliteit is haalbaar met een ventilatiecapaciteit van 21,6 m3/uur luchtverversing per persoon.
    Alle overige leslokalen (waarvoor de (ver)bouwvergunning is ingediend voor 1-1-2010) moeten ook minimaal voldoen aan klasse C van het Programma van Eisen Frisse Scholen (1.200 CO2 ppm) zoals opgenomen in de Arbocatalogus-VO. Echter omdat de oude Bouwbesluiten een ventilatiecapaciteit van 12,4 m3/uur luchtverversing per persoon voorschreven (hetgeen met de door Frisse Scholen gebruikte parameters overeenkomt met circa 1.800 CO2 ppm), zullen de meeste van deze gebouwen klasse C voor binnenlucht niet halen. Voor deze scholen waar de maximale CO2 waarde van 1.200 ppm wordt overschreden, geldt dat zij een plan moeten maken om een binnenlucht kwaliteit te realiseren overeenkomstig klasse C in het Programma van Eisen Frisse Scholen.
    De belangrijkste eisen waaraan de ventilatie moet voldoen zijn uitgebreid beschreven in de Arbocatalogus-VO-Lokalen en de Arbocatalogus-VO-Schoolgebouw-Kantoorwerkplekken. Deze eisen zijn ook uitgewerkt in de checklist verdiepende RI&E. De kwaliteit van de ventilatie kan, indien noodzakelijk of indien gewenst, beoordeeld worden door het verrichten van duurmetingen naar de CO2-concentratie in de ruimten van de school.
  • De ventilatie in ruimten die voor bepaalde activiteiten worden gebruikt maar hier oorspronkelijk niet voor bedoeld waren, wordt eveneens beoordeeld.
  • Indien de school ondersteuning nodig heeft bij het nagaan van de ventilatie in hun gebouwen, kan de school voor informatie en advies terecht bij de VO-raad. Dit kan ook indien er twijfel bestaat of een (ouder) gebouw voldoet aan de het Programma van Eisen Frisse Scholen en/of eisen van het Bouwbesluit.
  • Wanneer uit de controle van de ventilatiesystemen blijkt dat deze niet voldoen aan de minimale eisen of uit het Programma van Eisen Frisse scholen en/of het Bouwbesluit, kan de school contact opnemen met de lokale GGD. Zij adviseren vervolgens over passende maatregelen.
  • De inschakelperiode van de ventilatiesystemen is zo nodig verruimd. Er wordt minimaal 2 uur voor het gebouw open gaat gestart met nominale ventilatie (gelijk aan ventilatie tijdens gebruik van het gebouw). De mate van ventilatie wordt niet eerder dan 2 uur nadat het gebouw gesloten is, verlaagd. Er wordt 24/7 geventileerd. De ventilatie wordt dus niet uitgezet als het gebouw niet gebruikt wordt. Dit geldt ook voor de afzuiging van de toiletten.
  • Er wordt in gemeenschappelijke ruimten geen gebruik gemaakt van ventilatiesystemen (zoals vaste en mobiele airco-units) waarbij recirculatie van lucht binnen één ruimte plaatsvindt.
  • Ventilatiesystemen met centrale recirculatie waarbij lucht van de ene ruimte naar de andere ruimte wordt gebracht, is toegestaan omdat casuïstiek waarbij dit een rol speelde in de verspreiding van een infectieziekte ontbreekt. Bij centrale recirculatie legt de aangezogen lucht een relatief lange weg af voordat het gerecirculeerd wordt. Hierdoor wordt de kans als klein geschat dat druppels of eventuele aerosolen via deze recirculatie in andere ruimtes terechtkomen. Bij centrale recirculatie is het wel van belang dat er voldoende verse buitenlucht wordt toegevoegd om te voldoen aan de minimale ventilatie-eisen.
  • Er wordt in gemeenschappelijke ruimten geen gebruik gemaakt van tafelventilatoren of staande ventilatoren. Energie besparende instellingen zoals vraag-gestuurde systemen geregeld via een klok of CO2 sensoren in de retourlucht, worden aangepast. Wijzig het CO2 setpoint in deze ruimten naar 400 ppm zodat in deze ruimten ook continu geventileerd wordt.
  • De aanwezige warmte-terugwinsystemen, indien aanwezig, garanderen 100% scheiding van retourlucht en aanvoerlucht.
  • Het openen van de ramen in toiletten wordt vermeden, behalve als er mechanische afzuiging in de toiletten ontbreekt. In dat geval blijven de ramen altijd open staan.
  • Er wordt, als een ventilatiesysteem ontbreekt, optimaal gebruik gemaakt van te openen ramen en gevelroosters. Indien mogelijk (i.v.m. inbraakgevoeligheid)wordt er 24 uur per dag geventileerd door de ramen op een kier te zetten.
  • Ruimten worden, als een ventilatiesysteem ontbreekt, tussentijds zoveel mogelijk geventileerd door het openen van ramen en tussendeuren, en wel gedurende 10 tot 15 minuten. (=spuien) Dit gebeurt in ieder geval tijdens de pauzes en voor, tussen en na schooltijd.
  • In ruimten (zeker in ruimten waar een ventilatiesysteem ontbreekt en geventileerd moet worden middels het openen van ramen en deuren) kan het plaatsen van CO2-monitors inzicht geven wanneer en in welke mate er in een ruimte geventileerd moet worden. Door de monitor wordt de CO2-concentratie in de ruimte continu gemeten en wordt aangegeven wanneer (extra) ventilatie vereist is. Deze monitors worden bij voorkeur verbonden met het gebouwbeheersysteem (GBS) zodat de kwaliteit van de ventilatie gemonitord kan worden.
  • Er is extra aandacht voor het voorkomen van Legionellagroei in waterleidingen naar tappunten (kranen en douches), naar apparatuur in praktijklokalen en in installaties en apparatuur in leslokalen die momenteel niet of minder gebruikt worden.
  • Er wordt voorkomen dat sifons/watersloten van vloerputten, schrobputjes en wastafels droog komen te staan.
  • Medewerkers en leerlingen worden geïnstrueerd het toilet door te spoelen met de toiletdeksel dicht (indien aanwezig).

1.3.3. Technische/organisatorische maatregelen specifiek

A. Reizen naar en van school

  • Leerlingen en medewerkers worden verzocht zoveel mogelijk met de fiets naar school te komen, om de druk op het OV te verlagen. Als het niet mogelijk is met de fiets te komen worden leerlingen verzocht zich te laten brengen en halen door een ouder/verzorger.
  • Als er dagelijks 100 of meer leerlingen met het OV naar school gaan, zijn er afspraken gemaakt over het vervoer van leerlingen naar en van school (zie checklist verdiepende RI&E).

B. Logistiek rond en in school en inrichting van werkruimten en lesruimten 

  • Het minimaliseren van drukte tijdens verplaatsingen in school bijvoorbeeld door:
    • Langere lessen/meer blokuren in te roosteren.
  • Rond school en in ruimten in school is 1,5 m afstand tussen medewerkers en leerlingen en medewerkers onderling gewaarborgd. Er wordt ook aandacht besteed aan de afstand tussen medewerkers en externe bezoekers.
    Maatregelen om deze afstand te realiseren zijn bijvoorbeeld:
        
    • Bewegingen door docenten te beperken door leerlingen te laten wisselen van lokaal.
    • Verplaatsing van meubilair op 1,5 m afstand (in lokalen, praktijklokalen en werkruimten.
    • Benoeming verschillende ingangen/uitgangen voor medewerkers en leerlingen.
    • Scheiding van looproutes voor medewerkers en leerlingen (eventueel 1-richtingsverkeer en verduidelijkt met lijnen, pijlen e.d.).
    • Aanwezigheid van plattegronden van ruimten/vleugel/gebouw om de situatie te verduidelijken.
    • Plaatsing van wachtlijnen op de vloer voor medewerkers en bezoekers.
    • Ontmoediging dat medewerkers en bezoekers de liften gebruiken. Als het gebruik van liften door medewerkers en bezoekers toch nodig is, bevindt zich maximaal 1 persoon tegelijkertijd in de lift.
    • Medewerkers betreden en verlaten de lokalen niet op hetzelfde moment als de leerlingen.
  • Werkplekken waar 1,5 m afstand houden tussen medewerkers en leerlingen, tussen medewerkers onderling en tussen medewerkers en externe bezoekers niet mogelijk is, zijn voorzien van een scherm of een andere fysieke afscherming (denk aan de receptie en de counter van de catering).
  • Er vindt zo weinig mogelijk contact plaats met:
    • Deurklinken door deuren, als dit kan i.v.m. brandveiligheid, open te zetten.
    • Materialen en hulpmiddelen die ook door anderen worden gebruikt. Medewerkers en leerlingen en medewerkers onderling delen geen materialen en hulpmiddelen (schrijfmaterialen, vaste telefoons, toetsenborden, muis, perforator, nietmachines e.d.).
    • Bedieningsknoppen, handvatten van machines en apparatuur en materialen van school die ook door anderen worden gebruikt.
    • Prullenbakken. Deze zijn, bij voorkeur, voorzien van een pedaal. Het legen vindt minimaal dagelijks plaats.

C. Praktische vakken

  • Praktische vakken kunnen weer plaatsvinden. Er zijn schriftelijke afspraken gemaakt op welke wijze deze kunnen doorgaan (met waarborging van 1,5 meter afstand tussen leerling en docent).
  • Er is specifieke aandacht besteed aan praktische vakken (bewegingsonderwijs, handvaardigheid, techniek e.d.) met meer contact tussen leerling en leraar.
    Als het waarborgen van de 1,5 meter afstand bij (onderdelen van) de praktische vakken niet mogelijk blijkt, worden deze onderdelen (waar mogelijk) op een andere manier georganiseerd. Bij de vakken waarbij dit van toepassing is, treden de medewerkers en de schoolleiding met elkaar in overleg. Het corona-aanspreekpunt of het coronateam van de organisatie wordt hier ook bij betrokken. Tijdens dit overleg wordt in ieder geval besproken of de mogelijke blootstelling aan het coronavirus voorkomen kan worden volgens de Biologisch Arbeidshygiënische strategie (zie eerder):
    • Bronaanpak:
      De mogelijkheid de onderdelen van de praktische vakken waarbij het houden van 1,5 m afstand niet mogelijk is (tijdelijk) te laten vervallen.
      De mogelijkheid de onderdelen van de praktische vakken waarbij dit van toepassing is, op een andere wijze aan te bieden, bijvoorbeeld op afstand (digitaal) of via thuisopdrachten.
    • Technische maatregelen
      De mogelijkheid tijdens deze onderdelen van de praktische vakken schermen tussen medewerkers en leerlingen te plaatsen. Dit is alleen toegestaan als het scherm het acuut ingrijpen van een medewerker/leerling t.b.v. de veiligheid niet belemmert (denk aan de bereikbaarheid van een noodstop bij het gebruik van machines).
    • Hygiënische maatregelen
      De schoonmaak van materialen waarmee medewerkers in contact kunnen komen tijdens de praktisch vakken.
    • Persoonlijke beschermingsmiddelen
      Het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen tijdens de lessen is een van de laatste stappen in de BAH-strategie. Onder andere omdat het langdurig dragen van beschermingsmiddelen, zoals mondkapjes, belastend is. Als bovenstaande maatregelen uit de Biologisch Arbeidshygiënische strategie genomen worden, dan is er geen reden tijdens de lessen persoonlijke beschermingsmiddelen in de vorm van niet-medische mondkapjes te gebruiken (zie ook 1.3.5).

      Situatie tot 1 december 2020:
      Ten aanzien van de beroepsgerichte vakken in het vmbo en de praktijkvakken in het praktijkonderwijs geldt dat een mondneusmasker tot 1 december 2020 dringend wordt geadviseerd in specifieke lessituaties waar géén 1,5 meter afstand is te houden tussen leerling en docent, en waarbij een mondneusmasker de veiligheid van de lessen niet in gevaar brengt (zoals bij lassen).

      Situatie vanaf 1 december 2020:
      Vanaf 1 december 2020 is het dragen van een mondkapje door het onderwijspersoneel en de leerlingen in de school verplicht. Gedurende de les mogen de mondkapjes af, als de leerling en docenten niet door het lokaal bewegen. Als de leerling zich verplaatst, moet het mondkapje weer opgedaan worden. De docent die door de klas beweegt, hoeft geen mondkapje te dragen mits de 1,5 meter afstand tussen de leerling en docent in acht wordt genomen. Gym, toneel, dans en bepaalde vormen van praktijkonderwijs vallen niet onder de mondkapjesplicht.
  • Het bewegingsonderwijs kan vanaf 1 juli zowel buiten als binnen worden gegeven (zie checklist verdiepende RI&E).

D. Externe bezoekers

  • De school is terughoudend in het ontvangen van externe bezoekers. Behalve het onderwijs aan de leerlingen, worden fysieke activiteiten zoals oudergesprekken, open dagen en vieringen, niet georganiseerd. Als ze toch noodzakelijk zijn, dan vinden ze digitaal plaats.
  • De externen die de school toch moeten bezoeken (chauffeurs, leveranciers, onderhoudsbedrijven) worden geïnformeerd over de voor hun relevante maatregelen (via website, mail, alle ingangen van het gebouw).
  • Bij deze externe personen die de school moeten betreden wordt een gezondheidscheck gedaan.
  • Externe personen die de school noodzakelijk bezoeken, doen dit bij voorkeur buiten de schooltijden en in ieder geval buiten de drukke starttijden en eindtijden van de schooldag. Zij spreken met de school af hoe laat ze de school bezoeken. De externe bezoeker informeert de school 15 minuten voor hun bezoek hoe laat ze exact arriveren. Zij melden zich na aankomst bij een medewerker van de school en worden door de medewerker begeleid.
  • Materialen worden bij voorkeur tot de deur bezorgd.

E. Activiteiten

  • Scholen concentreren zich op het onderwijs aan de leerlingen. Alle andere fysieke activiteiten, zoals vergaderingen, studiedagen, oudergesprekken, open dagen en vieringen, worden niet georganiseerd. Als ze toch noodzakelijk zijn, dan vinden ze digitaal plaats.

F. Zingen

  • Zingen op school in de muziekles is niet toegestaan. Daarnaast is het in groepsverband geforceerd verheffen van de stem verboden. Hierbij gaat het onder meer om hard meezingen en optredens, spreekkoren en schreeuwen.

G. Vakantie naar het buitenland: ‘oranje’ en ‘rode’ landen

  • De school verzoekt medewerkers, leerlingen en ouders/verzorgers voor vertrek naar een vakantie naar het buitenland het reisadvies voor dat land na te gaan. Het wordt afgeraden om op vakantie te gaan naar ‘oranje’ landen. Er geldt een negatief reisadvies voor ‘rode’ landen.
  • De school geeft een dringend advies aan medewerkers, leerlingen en ouders/verzorgers na terugkomst van een vakantie in een ‘oranje’ of ‘rood’ land 10 dagen in quarantaine te gaan. Zij moeten thuisblijven en kunnen daarom niet op school of het schoolplein komen.
  • De school instrueert medewerkers, leerlingen en ouders/verzorgers na een vakantie in een ‘oranje’ of ‘rood’ land 10 dagen voor het begin van de school terug naar Nederland te komen.
  • De school stelt beleid op om erop toe te zien dat medewerkers, leerlingen en ouders/verzorgers die in thuisquarantaine zijn niet naar school of het schoolplein komen.
  • De school hoeft geen verzuimmelding te doen voor leerlingen die, vanwege thuisquarantaine direct na de vakantie niet naar school kunnen. Het belang van de volksgezondheid is hierbij doorslaggevend. De school hoeft ook geen verzuimmelding te doen voor kinderen die (met of zonder hun ouders) naar een land reizen waarvoor het reisadvies tijdens de vakantie wijzigt van ‘geel’ naar ‘oranje’ of ‘rood’ en die daardoor bij thuiskomst 14 dagen in quarantaine gaan.
    De school overlegt zoveel mogelijk met ouders over de mogelijkheid leerlingen in thuisquarantaine afstandsonderwijs te geven.

1.3.4. Hygiënische maatregelen

  • Er zijn hygiëneregels opgesteld. Deze zijn zichtbaar aanwezig.
  • Medewerkers en leerlingen schudden geen handen, hoesten en niezen in hun elleboog, gebruiken de aanwezige papieren zakdoekjes en gooien deze na één keer gebruik weg. Daarna wassen ze de handen. Ze raken hun gezicht niet of zo weinig mogelijk aan.
  • Er hangt in alle ruimten waar de handen gewassen worden een wasinstructie. De handen worden na het wassen niet gedroogd met een handdoek, maar met papieren doekjes, handdoekrol of blazers.

1.3.5. Persoonlijke beschermingsmiddelen (mondkapjes)

Tot 1 december 2020:

  • Als er tijdens de lessen minimaal 1,5 m afstand kan worden gehouden tussen medewerkers en leerlingen en tussen medewerkers onderling, is het niet noodzakelijk op school adembescherming in de vorm van niet-medische mondkapjes te dragen ter bescherming tegen het coronavirus.
  • Als het tijdens de lessen niet mogelijk is minimaal 1,5 m afstand te houden, is het dringende advies een niet-medisch mondkapje te dragen als aanvulling op de andere hygiënemaatregelen (zie 1.3.3C Praktische vakken).
  • Als het buiten de lessen niet te waarborgen is om 1,5 m afstand te houden tussen leerlingen en onderwijspersoneel, zoals in gangen, aula’s en kantines, geeft de Rijksoverheid het dringende advies om een niet-medisch mondkapje te dragen. Een school kan het dringende advies van de Rijksoverheid overnemen en het dragen van een niet-medisch mondkapje in (delen van) de school verplicht stellen. Hierbij moet de (G)MR (personeel, ouders en leerlingen) worden betrokken; de personeelsgeleding heeft op basis van de WMS instemmingsrecht hierop.

Vanaf 1 december 2020:

  • Vanaf 1 december 2020 is het dragen van een mondkapje door het onderwijspersoneel en de leerlingen in de school verplicht. Gedurende de les mogen de mondkapjes af, als de leerling en docenten niet door het lokaal bewegen. Als de leerling of docent zich verplaatst, moet het mondkapje weer opgedaan worden. Gym, toneel, dans en bepaalde vormen van praktijkonderwijs vallen niet onder de mondkapjesplicht. Ook het onderwijspersoneel of leerlingen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen, opzetten of daarvan ernstig ontregeld raken, zijn daartoe niet verplicht en zijn uitgezonderd van de plicht. De werknemer of de leerling die zich beroept op een van de uitzonderingen zal de beperking of ziekte desgevraagd op enigerlei wijze aannemelijk moeten maken. Voorbeelden van die uitzonderingen zijn:
    • personen die een verminderde arm- of handfunctie hebben en daardoor geen mondkapje op kunnen zetten;
    • personen van wie de ademhaling te veel belemmerd wordt vanwege een longaandoening;
    • personen met zintuigelijke beperkingen die gebarentaal spreken;
    • personen met (ernstige) brandwonden op hun gezicht waardoor geen mondkapje gedragen kan worden en
    • personen die vanwege een verstandelijke beperking of psychische aandoening ontregeld raken als zijzelf een mondkapje dragen.

      Een verkoudheid wordt onder andere niet gezien als ziekte of beperking. Ook in die gevallen dient de leerling dan wel de werknemer een mondkapje te dragen.
  • Schoonmaakmedewerkers dragen tijdens het schoonmaken werkkleding. Bij zichtbare verontreiniging wordt deze vervangen. Er wordt dagelijks schone werkkleding gedragen.
  • Schoonmaakmedewerkers dragen tijdens het schoonmaken nitril handschoenen.

1.3.6. Preventief vaccineren

Het preventief vaccineren tegen COVID-19 is nog niet mogelijk. Zodra een vaccin ontwikkeld is en beschikbaar is, wordt de vaccinatie tegen COVID-19 niet via school georganiseerd, maar als onderdeel van het landelijk Rijksvaccinatieprogramma.

1.3.7. Prik-/snij-/spat-/spuug-incidenten

In het incidenten protocol is beschreven hoe te handelen bij een spuugincident tijdens de coronacrisis. Dit is ook met de Bhv’ers besproken.

1.3.8. Therapie bij ziekte

Er is op school aandacht voor de vroege detectie van COVID-19. Met het testen kan men snel de diagnose (laten) stellen. Medewerkers en leerlingen zijn bekend met de symptomen zodat ze de behandelend arts snel op het goede spoor zetten.
Een medische behandeling wordt, indien noodzakelijk, zo snel mogelijk aangeboden.

1.4. Werkdruk/werkstress

De coronapandemie kan bij medewerkers en leerlingen tot een verhoging van de (werk)stress leiden. In de Arbocatalogus-VO agressie, onveiligheid en werkstress wordt beschreven hoe men met werkdruk en werkstress om kan gaan. Echter kan de corona-crisis tot specifieke werkdruk en werkstress leiden. Voor veel medewerkers is de crisis rond COVID-19 een stressvolle periode. Daarnaast kunnen medewerkers die al psychische klachten hadden, door deze crisis verergering of hernieuwing daarvan ervaren. De werkdruk en werkstress van medewerkers in relatie tot het werk kan veroorzaakt worden/versterkt worden door bijvoorbeeld:

  • Meer thuis werken.
  • Vermenging werk/privé.
  • Maken en geven van online onderwijs (minder ervaren deskundigheid, eigen competenties dan lesgeven voor de klas bijvoorbeeld).
  • Het aanspreken van leerlingen/anderen op handhaven (nieuwe) normen.
  • Risico’s/angst voor eigen gezondheid op het werk.
  • Minder ervaren sociale contacten/steun van collega’s/leidinggevenden.
  • Toegenomen werklast door én voor de klas én online lesgeven.
  • Aantasten vaste structuur door last-minute wijzigingen.

De school neemt de volgende maatregelen:

  • Door de school wordt aandacht besteed aan het verhoogd risico op werkstress en werkdruk tijdens de coronacrisis. Het is ook van belang de ervaren werkdruk en werkstress te inventariseren. Het is mogelijk hiervoor gebruik te maken van de quickscan PSA uit de Arboscan VO en deze aan te vullen met corona-specifieke werkdruk- en werkstressbronnen. In het tabblad Tips en Links wordt verwezen naar de website van de Nederlandse Vereniging van Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. Op deze site wordt aandacht besteed aan de relevante werkdruk- en werkstressbronnen, hoe hiermee om te gaan en welke maatregelen helpen.
  • De school informeert de medewerkers ook over de mogelijkheid de ervaren werkdruk en werkstress te bespreken met de arbo-/bedrijfsarts. De medewerker kan hiervoor via de arbodienst een afspraak maken voor het preventief spreekuur van de arbo-/bedrijfsarts.
  • Tijdens de voorlichting en het onderricht aan medewerkers wordt ook aandacht besteed aan de risico’s op werkdruk en werkstress in relatie tot de corona-crisis en de maatregelen om deze tegen te gaan.